Lotte doet

Kruistocht in koerspak

Eigenlijk kan ik mijn beklimming van de Mont Ventoux zeer kort beschrijven: ik heb afgezien én ik ben op eigen houtje op de top geraakt. Ik kan het nog steeds niet geloven.

Ergens in september 2013 kregen mijn broertje en ik te horen dat onze ouders naar de Provence op reis wilden en hoewel ik al jaren niet meer mee wil reizen, vroegen ze toch of ik geen zin had om mee te gaan. Zodra de naam Mont Ventoux viel, gebeurde iets raars met mijn lichaam: mijn hart maakte een sprongetje (‘Ja, leuk!’) en tegelijkertijd kromp mijn maag ineen (‘Ik zal die top nooit halen!’).
Dat laatste zou helaas nog heel vaak gebeuren in de daaropvolgende maanden. Soms was het zo erg dat ik ’s nachts wakker lag van de zenuwen omdat ik die berg moest opfietsen. Faalangst, you know. Ik post er nog wel eens een blog over.

Enfin, ik wil niet te ver uitweiden over de voorgaande maanden. Het interessantste is natuurlijk de beklimming zelf. Hoewel ik tijdens het jaar wel redelijk wat kilometers had gemaald, had ik in de weken voor ons vertrek wel andere dingen aan mijn hoofd (zie voorgaande blogberichten, vooral het eerste), waardoor ik weinig tot geen zin had om mezelf op mijn fiets te hijsen. Daar heb ik natuurlijk spijt van gehad.

Dinsdag 29 juli was het zover. Rond 9u vertrokken opa, Jempie en ik in Caromb richting Bédoin, een opwarmritje van ongeveer 10 km. De aanblik van de bekende toren op de top deed mij al een beetje huiveren over wat me nog te wachten stond. Er hingen wat wolken rond, maar voor de rest was het lekker warm en zonnig. Opa voelde dat de benen niet zo goed zaten en vreesde dat hij al snel zou moeten opgeven. Later zou blijken dat hij toch maar liefst 7 km op de Ventoux heeft geklommen! Ik denk dat hij een beetje teleurgesteld was, maar geef toe… Welke man van 86 fietst nog zo goed en zo veel als mijn opa? Ik ben ongelofelijk trots op hem!

Ik had niet eens door dat ik aan de klim begonnen was, tot Jempie terloops opmerkte dat we de startstreep al gepasseerd waren. De eerste vijf km stijgen dan ook maar geleidelijk. Ik werd al ietsiepietsie overmoedig en dacht ‘amaaaai, dat valt hier goed mee zeg!’. Ik reed achter twee Fransmannen (’t waren trouwens geen knappe, jammerlijk genoeg) met een ideaal tempo en besloot zo lang mogelijk bij hen te blijven. De broer verliet me na een km of vier, klimtalent als hij is.

En toen begon het. Na +/- 5,5 km kwam de eerste échte inspanning. Ik schakelde een vitesseke lager en begon wat harder te duwen. Ik liet de Fransmannen achter mij, maar dat had ik misschien beter niet gedaan. Na een tijd begon mijn hart toch wel echt heel dol te slaan en diep inademen lukte precies ook niet meer zo goed. Gelukkig stond onze ‘volgwagen’ aan km 8,5 op mij te wachten, zodat ik efkes kon stoppen. Dat was niet het plan, maar de paar minuten rust en halve banaan deden me toch goed. Tju, wat een slechte start. Ik moest duidelijk meer doseren.

Vanaf dat moment luisterde ik beter naar mijn lichaam. Hartslag gaat de lucht in? Efkes wat rustiger trappen. Beentjes spartelen tegen? Versnelling lichter zetten. En toch bleef het zwaar. Elke kilometer was een overwinning op mezelf. Ik probeerde positief te denken en dacht eraan hoe elke 100m alweer een stuk dichter bij die verdomde top was. Ik trok me op aan het feit dat ik nog andere mensen, zoals de vrouw (met hetzelfde koersbroekje als ik :-) ) en haar vriendin, zag afzien op de trappers. De Belgische vrouw die haar man volgde, riep me iedere keer als ik haar zag bemoedigende woorden toe en elke fietser zei vriendelijk bonjour. Het lijken details, maar het zijn zulke kleine dingetjes die mij erdoor trokken.

Rond km 13 zag ik de volgwagen weer staan, deze keer met de jongste telg mee. Jempie was er al geraakt! Wat had hij een voorsprong gehad! Het feit dat hij er veel sneller was dan ik, ontmoedigde mij geenszins. Integendeel, ik barstte bijna van trots. Mijn grote hulp tijdens de laatste weken was er nog maar eens in geslaagd om de Mont Ventoux te beklimmen.

Mijn volgende vreugdemomentje vond plaats aan Chalet Reynard, het cafeetje vlak voor de kale laatste 6 kilometers. Hoewel echte wielerfanaten waarschijnlijk verontwaardigd zullen zijn, heb ik daar toch een pauze genomen. De cola was bijzonder welkom, net als het feit dat mijn beentjes eventjes konden rusten. Ik weet niet meer hoelang ik precies in de chalet verbleef (het was alleszins lang genoeg om de jonge, knappe ober goed te kunnen observeren. Dames, allen daarheen.), maar het deed deugd. Toen ik begon aan de laatste trek, was de zon helemaal ingeruild voor mistig weer en stak er hevige wind op, wat zowel in mijn voor- als nadeel speelde. Terwijl ik in de ene richting de berg werd opgeblazen, stond ik in de andere richting bijna stil. Het werd zo erg dat ik op een bepaald moment fietsend trager vooruit ging dan stappend. Toch gaf ik mij niet gewonnen. Het idee dat ik al zovele kilometers had afgelegd en de top al bijna kon aanraken, zorgde ervoor dat ik vrij snel 3 km verder was. Op aanraden van Jempie propte ik de (trouwens erg onsmakelijke) energiereep naar binnen en begon al te dromen van mijn ontmoeting met de witte toren.

Helaas. Amper een kilometer verder was het al zo mistig geworden dat je nauwelijks 3 meter ver kon zien en toen ik door een hevige windstoot bijna van dichtbij kennis maakte met het asfalt, kreeg ik toch wat lastig. Plots wilden mijn benen niet meer mee, de koude wind stak tegen en ik had zin om mijn fiets aan de kant te smijten en te voet verder te gaan. De bemoedigende woorden van mijn familie hielpen niet meer en het suikerdrankje plakte mijn mond toe. Gelukkig zag ik in dat het wel echt stom zou zijn om zo dicht bij de eindstreep op te geven en dus klikte ik mezelf weer in de pedalen. Aan een slakkentempo stampte ik meter na meter verder, mij afvragend waarom ik in godsnaam ooit had toegezegd. Elke 100 meter voelde aan als een marathonafstand.

En toen was hij er plots, de laatste bocht. Ik hoorde moeke en Jempie luid mijn naam roepen, hoewel ik hen nergens zag. Mijn felgele jasje zorgde ervoor dat zij mij wel goed zagen en plots stond de broer daar als een professionele paparazzo foto’s van mij te nemen. Achteraf gezien besefte ik die eerste seconden niet eens dat ik eindelijk de eindstreep had gehaald, na twee uur en drie kwartier fietsen. Pas toen iedereen mij om de hals vloog, had ik het ineens door en toen zijn er wel wat vreugdetraantjes gevloeid. Ik, die een jaar aan een stuk geloofde dat ik ergens in het midden zou moeten opgeven, heb het gedaan. Vanaf nu weet ik wat men bedoelt met op slag al je lijden vergeten.

De witte toren heb ik uiteindelijk nog altijd niet van dichtbij gezien vanwege de mist en het was de zwaarste krachtinspanning die ik ooit heb moeten leveren, maar het waren verdorie de allermooiste 21 kilometer van mijn leven.

Ik heb wel één besluit genomen: IK DOE HET NOOIT MEER! ;-)

DSCN8258

DSCN8282

DSCN8287

DSCN8293

DSCN8297

WP_20140729_004

WP_20140729_016

WP_20140729_021

Advertenties

4 gedachten over “Kruistocht in koerspak

  1. toch een hele mooie prestatie, Lotte!
    Ik ben al jaren een mooi-weer-wielertoerist, en ik zou zo’n uitdaging ook wel eens willen doen. Maar de Mont Ventoux zegt me niet zoveel, die kale berg is zo saai vind ik.

    Like

    1. Dank u wel! Mijn idee dat ik de Mont Ventoux nooit meer beklim, is ondertussen al aan het keren ;-) De laatste zes km zijn inderdaad zeer kaal, maar de eerste twintig rij je tussen de bossen. Althans, dat is zo aan de kant van Bédoin. De andere twee kanten zijn in het geheel een pak kaler…

      Like

Joepie, reactie!

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s